Genesis 1

Genesis 1 gaat over de schepping van de wereld door God. God maakt het licht, de hemel, de aarde, de planten, de dieren en de mens. Alles wat God maakt, is goed. God maakt alles stap voor stap in zes dagen. Hij maakt de mens als man en vrouw, naar zijn beeld. Op de zevende dag rust God van zijn werk.

Het begin

1 1In het begin maakte God de hemel en de aarde.

Er is een verschil tussen hemel en lucht. De hemel is religieus/spiritueel. Dat is het paradijs waar God en de engelen zijn. De lucht is de atmosfeer, wat je ziet als je omhoog kijkt (wolken, blauw, grijs).

2De aarde was leeg en verlaten. Overal was water en alles was donker. En er waaide een hevige wind over het water.

waaide is de onvoltooid verleden tijd (OVT)van het werkwoord waaien.

De eerste dag

3Toen zei God:”Er moet licht komen.” En er kwam licht. 4God zag hoe mooi het licht was. Hij scheidde het licht en het donker. 5Het licht noemde hij “dag” en het donker noemde hij “nacht”.

zei is de onvoltooid verleden tijd (OVT)van het werkwoord zeggen.
zag is de onvoltooid verleden tijd (OVT)van het werkwoord zien
scheidde onvoltooid verleden tijd (OVT)van het werkwoord scheiden

Het licht het donker/de donkerheid

Toen werd het avond en het werd ochtend. Das was de eerste dag.

De tweede dag

6God zei: “Er moet in het midden van het water een koepel komen om het water te verdelen.” 7En zo gebeurde het. God maakte de koepel. Zo verdeelde hij het water in tweeën: water boven de koepel en water onder de koepel. 8Die koepel noemde God hemel.

Toen werd het avond en het werd ochtend. Das was de tweede dag.

De derde dag

9God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen. Dan komt er droge grond tevoorschijn.’ En zo gebeurde het. 10God noemde de droge grond ‘land’, en het water noemde hij ‘zee’.

11God zei: ‘Er moet van alles groeien op het land. Planten met zaad en bomen met vruchten.’ En zo gebeurde het. 12Op het land kwamen allerlei planten met zaad en allerlei bomen met vruchten. En God zag hoe mooi het was.

13Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de derde dag.

De vierde dag

14God zei: ‘Er moeten lichten aan de hemel komen om verschil te maken tussen de dag en de nacht. Die lichten moeten laten zien welk seizoen het is, en welke dag en welk jaar. 15En ze moeten licht geven op aarde.’ En zo gebeurde het.

het seizoen → welk seizoen
de dag → welke dag
de maand → welke maand
het jaar → welk jaar

16God maakte de twee grote lichten. De zon om overdag te schijnen, en de maan om ’s nachts te schijnen. God maakte ook de sterren. 17Hij zette de zon en de maan aan de hemel om licht te geven op de aarde. 18En om het verschil aan te geven tussen dag en nacht, en tussen licht en donker. God zag hoe mooi het was.

19Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de vierde dag.

De vijfde dag

20God zei: ‘Het water moet vol leven zijn, vol met allerlei dieren. En boven de aarde, in de lucht, moeten vogels vliegen.’ 21God maakte de grote zeedieren en alle kleine waterdieren. Het water was vol dieren. Hij maakte ook alle soorten vogels. En God zag hoe mooi het was.

22God zegende de dieren. Hij zei: ‘Jullie moeten jongen krijgen. Overal in de zee moeten dieren komen, en overal op aarde vogels.’

23Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de vijfde dag.

De zesde dag

24God zei: ‘Ook op het land moeten allerlei dieren komen: wilde en tamme dieren, en heel kleine dieren.’ En zo gebeurde het. 25God maakte de dieren, alle wilde en tamme dieren en alle kleine dieren. En God zag hoe mooi het was.

Het wilde dierEen wild dier
Het tamme dierEen tam dier
De tamme dierenDe wilde dieren

26God zei:’Nu wil ik mensen maken. Ze moeten op mij lijken. Ze zullen de baas zijn over de vissen in de zee en de vogels in de lucht. En ook over het vee, over alle kleine dieren en over de hele aarde.’ 27Toen maakte God de mensen. Hij maakte ze zo dat ze op hem leken. Hij maakte ze als man en als vrouw.

28God zegende de mensen. Hij zei: ‘Jullie moeten kinderen krijgen. Zorg ervoor dat er overal op aarde mensen komen. Jullie moeten de baas zijn over de aarde. En ook over de vissen in de zee, over de vogels in de lucht en over alle dieren op het land.’

29God zei ook: ‘Alle planten en bomen op aarde zijn voor jullie. Jullie mogen de zaden en de vruchten eten. 30De bladeren en het gras zijn voor de dieren.’ En zo gebeurde het.

31God keek naar alles wat hij gemaakt had en zag dat het heel mooi was.

Toen wer het avond en het werd ochtend. Dat was de zesde dag.

Onregelmatig meervoud
het kind → de kinderen
het blad → de bladeren
het ei → de eieren

Mogen

Persoonlijke voornaamwoordentegenwoordige tijdonvoltooid verleden tijd
ikmagmocht
je/jij/umagmocht
hij/zij/ze/hetmagmochten
wij/wemogenmochten
julliemogenmochten
zij/zemogenmochten

Hoofdboodschap

Deze verzen uit Genesis leren ons het volgende

Deze verzen uit Genesis leren ons het volgende:

  • God is de Schepper van de hemel, de aarde en alles wat bestaat.
  • God brengt orde in de schepping: Hij scheidt licht van donker, water van land en geeft alles een plaats.
  • God schept stap voor stap: de schepping gebeurt geleidelijk, dag na dag.
  • Gods woord is krachtig: wat God zegt, gebeurt.
  • De schepping is goed en mooi: God ziet dat wat Hij gemaakt heeft goed is.

Samenvatting:
Deze verzen leren ons dat God de Schepper is, dat Hij de wereld met wijsheid en orde heeft gemaakt, en dat alles wat Hij geschapen heeft goed en mooi is.

  • God geeft orde aan de schepping.
    • Hij maakt de zoon, de maan en de sterren om dag en nacht en de seizoenen te regelen.
  • God vult de aarde met leven.
    • Hij maakt de dieren in de zee en de vogels in de lucht, elk naar hun soort.
  • God zegent zijn schepping.
    • Hij wil dat de dieren zich voortplanten en de aarde, de zee en de lucht vullen
  • God maakt en zegent de mensen.
    • Hij schept de mens naar zijn beeld, zegent hem en zegt dat hij vruchtbaar moet zijn, talrijk moet worden en voor de aarde moet zorgen.

Geef een reactie