Lucas 15 gaat over mensen die verloren zijn en weer gevonden worden. Jezus vertelt drie verhalen: het verloren schaap, de verloren munt en de verloren zoon. Met deze verhalen laat Jezus zien dat God blij is wanneer iemand die van Hem is afgedwaald, terugkomt.
Jezus geeft voorbeelden
Het voorbeeld van het schaap
151Alle tollenaars en slechte mensen kwamen naar Jezus luisteren. 2De farizeeën en de wetsleraren klaagden daarover. Ze zeiden: ‘Jezus gaat om met slechte mensen, en hij eet zelfs met ze!’
het voorbeeld = de gelijkenis de tollenaar/de tollenaars
omgaan met Jezus gaat veel met tollenaars om. Jezus ging met zondaars om.
3Daarom gaf Jezus dit voorbeeld. Hei zei: 4‘Stel dat je honderd schapen hebt, maar je raakt er één kwijt. Dan ga je dat ene schaap toch zoeken? Je laat de 99 andere schapen achter in het veld. En je gaat dat ene schaap zoeken totdat je het vindt. 5Als je het schaap gevonden hebt, dan ben je blij. En je draagt het op je schouders naar huis. 6Thuis roep je de buren en je vrienden. En je zegt: ‘Laten we feestvieren! Want ik heb het schaap gevonden dat ik kwijt was.’
onbepaald bijvoeglijk naamwoord
cijfer (1)
een
één
7‘Luister naar mijn woorden. Zo is het ook met God in de hemel. Hij is heel blij met één slecht mens die zijn leven verandert. Meer nog dan met 99 goede mensen die hun leven niet hoeven te veranderen.’
Het voorbeeld van de zilveren munt
8Jezus zei ook:’Stel dat een vrouw tien zilveren munten heeft, mar er één kwijtraakt. Dan gaat ze die toch zoeken? Ze doet een lamp aan en veegt haar huis totdat ze de munt vindt. 9En als ze hem gevonden heeft, dan roept ze haar vriendinnen en de buren. En ze zegt: ‘Laten we feestvieren! Want ik was mijn zilveren munt kwijt, maar ik heb hem gevonden.’
10Luister naar mijn woorden: Als één slecht mens zijn leven verandert, zijn de engelen van God net zo blij als die vrouw.
11Dit is een brief van Paulus, Silvanus en Timoteüs aan de christenen in de stad Tessalonica.
Jullie horen bij God, onze Vader, en bij de Heer Jezus Christus.
2Ik wens jullie toe dat God, onze Vader, en de Heer Jezus Christus goed voor jullie zijn en jullie vrede geven.
Paulus dankt God
3Vrienden, ik dank God altijd voor jullie. Ik kan niet anders, want er is een goede reden voor. Jullie geloof wordt namelijk steeds sterker, en jullie gaan steeds meer van elkaar houden.
4Ik spreek in alle kerken vol trots over jullie. Want jullie houden het vol om te blijven geloven, ook al worden jullie vervolgd en ook al zijn jullie in moeilijkheden.
Houd vol tot de Heer komt
De Heer komt om recht te spreken
5God heeft besloten dat jullie het waard zijn om bij zijn nieuwe wereld te horen. En jullie laten zien dat dat een juist besluit is. Want jullie houden vol, ook nu jullie moeten lijden voor zijn nieuwe wereld.
6God straft en beloont mensen op een eerlijke manier. Hij zal jullie onderdrukkers straffen. 7En hij zal jullie die nu onderdrukt worden samen met mij bevrijden uit alle moeilijkheden.
Dat zal gebeuren op de dag dat de Heer Jezus terugkomt uit de hemel. Hij komt met zijn leger van engelen 8en met een groot vuur. Dan zal hij de mensen straffen die God niet kennen en het goede nieuws over onze Heer Jezus niet willen geloven. 9Die mensen worden gestraft met eeuwige pijn, ver weg van de Heer en zijn grote macht.
10Op die dag komt de Heer om geëerd en bewonderd te worden door de mensen die bij hem horen. Dat zijn alle mensen die zijn gaan geloven. Daar horen jullie ook bij, want jullie geloven wat ik aan jullie verteld heb.
11Hier begint het goede nieuws over Jezus Christus, de Zoon van God. 2In het boek Jesaja staan deze woorden van God: “Ik stuur mijn boodschapper vooruit. Hij moet de weg vrijmaken. 3Hij roept in de woestijn: Opzij voor de Heer! Maak de weg klaar voor de Heer!” 4Die woorden gaan over Johannes de Doper. Hij leefde in de woestijn. Daar zei hij tegen de mensen: ‘Begin een nieuw leven en laat je dopen. Dan zal God je zonden vergeven.’ 5Alle mensen uit Judea en Jeruzalem kwamen naar Johannes toe. Ze zeiden: ‘We hebben spijt van alles wat we verkeerd gedaan hebben.’ En Johannes doopte hen in de rivier de Jordaan. 6Johannes liep in een jas van kameelhaar, en hij had een leren riem om. Hij leefde van sprinkhanen en honing.
komen : Ik kom morgen om 08:00 aan. De trein komt om 08:00 aan. Ik kom naar Johannes toe. Ik ben teruggekomen. Jezus komt uit Galilea. lopen : ik liep, we liepen.
het leer (cuir in het Frans, leather in het Engels) : de leren jas, de leren riem. leren is een onveranderlijk bijvoeglijk naamwoord wanneer het een materiaal aanduidt.
de leer : de leer van Jezus, de christelijke leer.
7Johannes vertelde de mensen iets bijzonders. Hij zei: ‘Na mij komt iemand die veel machtiger is dan ik. Ik ben niet eens goed genoeg om zijn schoenen uit te trekken. 8Ik heb jullie gedoopt met water. Maar hij zal jullie dopen met de heilige Geest.’
Na mij ←→ Voor mij Ik doop je (tegenwoordige tijd) ←→ Ik zal je dopen (toekomende tijd) We dopen jullie ←→ We zullen jullie dopen
De schoenen uittrekken Dopen: Ik doop je in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
9In die tijd kwam ook Jezus naar Johannes toe. Jezus kwam uit Nazaret, een plaats in Galilea. Hij werd door Johannes gedoopt in de Jordaan. 10Zodra Jezus weer uit het water kwam, zag hij dat de hemel openging. Uit de hemel kwam de Geest naar Jezus toe. Hij kwam naar beneden als een duif. 11En Gods stem klonk uit de hemel: ‘Jij alleen bent mijn Zoon. Mijn liefde voor jou is groot.’
Enkelvoud
Meervoud
de duif
de duiven
Ik blijf thuis
Jullie blijven thuis
Afstand
DE-woorden
HET-worden
dichtbij
deze
dit
verder weg
die
dat
Jezus is veertig dagen in de woestijn
12Meteen stuurde de Geest Jezus naar de woestijn. 13Veertig dagen lang was Jezus in de woestijn. Satan probeerde hem te laten zondigen. Jezus leefde daar tussen de wilde dieren. Maar de engelen zorgden voor hem.
zondigen Ik zondig, hij zondigt, wij zondigen
Jezus begint met zijn werk
Jezus vertelt het goede nieuws
14Toen Johannes de Doper gevangengenomen werd, ging Jezus terug naar Galilea.15Hij zij:’Gods nieuwe wereld is dichtbij. Geloof dat goede nieuws! Dit is het moment om je leven te veranderen.’
Iemand gevangennemen → Hij werd gevangengenomen. Iemand pakken → De politie pakte hem, Hij paakte haar bij de arm.
Genitief Gods nieuwe wereld Romeo‘s en Julia‘s balkon Koos‘ laptop
Maar het genitief met van komt vaker voor.
Jezus kiest zijn leerlingen uit
16Op een dag liep Jezus langst het Meer van Galilea. Daar zag hij twee broers: Simon en Andreas. Het waren vissers. Ze gooiden hun netten uit in het water. 17Jezus zei tegen hen:’Kom, ga met mij mee. Ik zal jullie leren om mensen te vangen in plaats van vissen.’ 18Meteen lieten Simon en Andreas hun netten liggen, en ze gingen met Jezus mee.
Enkelvoud
Meervoud
het net
de netten
de broer
de broers
tegen iemand zeggen Ik heb tegen hem gezegd: ‘Kom, we hebben geen tijd meer.’
lopen → liep → gelopen
ergens naartoe lopen → zijn lopen als activiteit → hebben
lopen (met zijn)
lopen (met hebben)
Ik ben naar het Meer van Galilea gelopen.
Gisteren heb ik vijf kilometer gelopen.
Ik ben naar huis gelopen.
Ik heb in het park gelopen.
19Een eindje verder zag Jezus twee andere broers: Jakobus en Johannes. Hun vader heette Zebedeüs. Jakobus en Johannes zaten in hun boot netten te repareren. 20Toen Jezus hen riep, gingen ze met hem mee. Ze lieten hun vader met zijn arbeiders in de boot achter.
Jezus jaagt een kwade geest weg
21Jezus en zijn leerlingen gingen naar Kafarnaüm. Toen het sabbat was, gingen ze naar de synagoge. Daar Gaf Jezus de Mensen uitleg over God. 22De woorden van Jezus maakten diepe indruk. De mensen dachten: Hij spreekt als iemand met macht! Hij spreekt heel anders dan de wetsleraren.
23Opeens begon er in de synagoge iemand te schreeuwen. Het was een man die een kwade geest in zich had. 24Hij schreeuwde: ‘Jij daar, Jezus uit Nazareth! Laat me met rust! Je bent zeker gekomen om mij te vernietigen? Ik weet precies wie je bent. Jij bent gestuurd door God.’
25Maar Jezus zei streng tegen de kwade geest: ‘Stil! Ga weg uit die man.’ 26De kwade geest schudde de man door elkaar, schreeuwde hard en verdween.
27Iedereen was stomverbaasd. De mensen zeiden tegen elkaar: ‘Wat is hier aan de hand? Jezus vertelt ons nieuwe dingen over God. Hij spreekt met macht. Zelfs de kwade geesten doen wat hij zegt.’
28En het nieuws over Jezus werd al snel bekend in heel Galilea.
Jezus maakt zieken beter
29Toen Jezus en zijn leerlingen uit de synagoge kwamen, gingen ze naar het huis van Simon en Andreas. 30-31Jezus hoorde dat de schoonmoeder van Simon met koorts in bed lag. Hij ging naar haar toe. Hij pakte haar hand vast en hielp haar opstaan. Toen had ze meteen geen koorts meer. Ze ging eten klaarmaken voor Jezus en zijn leerlingen.
32-34’s Avonds laat, toen het donker was, kwamen alle inwoners van de stad naar Jezus toe. Ze hadden alle zieken meegenomen. En ook alle iedereen die een kwade geest in zich had. Jezus maakte veel mensen beter die allerlei verschillende ziektes hadden. Ook jaagde hij de kwade geesten weg uit de mensen. En hij zei tegen die kwade geesten: ‘Je mag aan niemand vertellen wie ik ben.’
Jezus reist door Galilea
Jezus reist verder
35’s Ochtends vroeg, toen het nog donker was, stond Jezus op en ging naar buiten. Hij liep naar een stille plek buiten de stad. Daar wilde hij bidden. 36Maar Simon en de andere leerlingen kwamen achter hem aan.
37Toen ze Jezus gevonden hadden, zeiden ze: ‘Iedereen zoekt u.’ 38Maar Jezus zei: ‘We gaan weer verder. Ik moet het goede nieuws ook op andere plaatsen in de buurt vertellen. Daarom ben ik op weg gegaan.’
Jezus wordt overal bekend
39Jezus reisde rond door heel Galilea. In alle synagogen vertelde hij het goede nieuws. En overal jaagde hij kwade geesten weg uit de mensen. 40Er kwam ook een man met een huidziekte bij Jezus. Hij knielde voor Jezus en vroeg hem om hulp. De man zei: ‘Als u wilt, kunt u mij beter maken.’
41Jezus had medelijden met de man. Hij raakte hem aan en zei: ‘Ik wil dat je beter wordt.’ 42Meteen werd de man beter. Zijn huidziekte was weg.
43Voordat Jezus de man liet gaan, waarschuwde hij hem. Hij zei: 44‘Denk erom, je mag aan niemand vertellen wat er gebeurd is.’ Ook zei hij: ‘Ga naar de tempel. Daar moet de priester vaststellen dat je beter bent. En je moet het offer brengen dat verplicht is volgens de wet van Mozes. Dan kunnen de mensen zien dat je echt beter bent.’
45Maar toen die man wegging, vertelde hij aan iedereen steeds weer wat er gebeurd was. Daardoor kon Jezus niet langer overal komen. Hij bleef op eenzame plaatsen. Maar zelfs daar kwamen de mensen van alle kanten naar hem toe.