Marcus 1


Bijbel in Gewone Taal © Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap.

Johannes de Doper

Johannes begint met zijn werk

11Hier begint het goede nieuws over Jezus Christus, de Zoon van God. 2In het boek Jesaja staan deze woorden van God: “Ik stuur mijn boodschapper vooruit. Hij moet de weg vrijmaken3Hij roept in de woestijn: Opzij voor de Heer! Maak de weg klaar voor de Heer!” 4Die woorden gaan over Johannes de Doper. Hij leefde in de woestijn. Daar zei hij tegen de mensen: ‘Begin een nieuw leven en laat je dopen. Dan zal God je zonden vergeven.’ 5Alle mensen uit Judea en Jeruzalem kwamen naar Johannes toe. Ze zeiden: ‘We hebben spijt van alles wat we verkeerd gedaan hebben.’ En Johannes doopte hen in de rivier de Jordaan. 6Johannes liep in een jas van kameelhaar, en hij had een leren riem om. Hij leefde van sprinkhanen en honing.

komen : Ik kom morgen om 08:00 aan. De trein komt om 08:00 aan. Ik kom naar Johannes toe. Ik ben teruggekomen. Jezus komt uit Galilea.
lopen : ik liep, we liepen.

het leer (cuir in het Frans, leather in het Engels) : de leren jas, de leren riem.
leren is een onveranderlijk bijvoeglijk naamwoord wanneer het een materiaal aanduidt.

de leer : de leer van Jezus, de christelijke leer.

Onveranderlijke bijvoeglijke naamwoorden – Materialen

leerleren
goudgouden
zilverzilveren
houthouten

Jezus wordt door Johannes gedoopt.

7Johannes vertelde de mensen iets bijzonders. Hij zei: ‘Na mij komt iemand die veel machtiger is dan ik. Ik ben niet eens goed genoeg om zijn schoenen uit te trekken. 8Ik heb jullie gedoopt met water. Maar hij zal jullie dopen met de heilige Geest.’

Na mij ←→ Voor mij
Ik doop je (tegenwoordige tijd) ←→ Ik zal je dopen (toekomende tijd)
We dopen jullie ←→ We zullen jullie dopen

De schoenen uittrekken
Dopen: Ik doop je in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

9In die tijd kwam ook Jezus naar Johannes toe. Jezus kwam uit Nazaret, een plaats in Galilea. Hij werd door Johannes gedoopt in de Jordaan. 10Zodra Jezus weer uit het water kwam, zag hij dat de hemel openging. Uit de hemel kwam de Geest naar Jezus toe. Hij kwam naar beneden als een duif. 11En Gods stem klonk uit de hemel: ‘Jij alleen bent mijn Zoon. Mijn liefde voor jou is groot.’

EnkelvoudMeervoud
de duifde duiven
Ik blijf thuisJullie blijven thuis

AfstandDE-woordenHET-worden
dichtbijdezedit
verder wegdiedat

Jezus is veertig dagen in de woestijn

12Meteen stuurde de Geest Jezus naar de woestijn. 13Veertig dagen lang was Jezus in de woestijn. Satan probeerde hem te laten zondigen. Jezus leefde daar tussen de wilde dieren. Maar de engelen zorgden voor hem.

zondigen
Ik zondig, hij zondigt, wij zondigen

Jezus begint met zijn werk

Jezus vertelt het goede nieuws

14Toen Johannes de Doper gevangengenomen werd, ging Jezus terug naar Galilea.15Hij zij:’Gods nieuwe wereld is dichtbij. Geloof dat goede nieuws! Dit is het moment om je leven te veranderen.’

Iemand gevangennemen → Hij werd gevangengenomen.
Iemand pakken → De politie pakte hem, Hij paakte haar bij de arm.

Genitief
Gods nieuwe wereld
Romeo‘s en Julia‘s balkon
Koos laptop

Maar het genitief met van komt vaker voor.

Jezus kiest zijn leerlingen uit

16Op een dag liep Jezus langst het Meer van Galilea. Daar zag hij twee broers: Simon en Andreas. Het waren vissers. Ze gooiden hun netten uit in het water. 17Jezus zei tegen hen:’Kom, ga met mij mee. Ik zal jullie leren om mensen te vangen in plaats van vissen.’ 18Meteen lieten Simon en Andreas hun netten liggen, en ze gingen met Jezus mee.

EnkelvoudMeervoud
het netde netten
de broerde broers

tegen iemand zeggen
Ik heb tegen hem gezegd: ‘Kom, we hebben geen tijd meer.’

lopen → liep → gelopen

ergens naartoe lopen → zijn
lopen als activiteit → hebben

lopen (met zijn)lopen (met hebben)
Ik ben naar het Meer van Galilea gelopen.Gisteren heb ik vijf kilometer gelopen.
Ik ben naar huis gelopen.Ik heb in het park gelopen.

19Een eindje verder zag Jezus twee andere broers: Jakobus en Johannes. Hun vader heette Zebedeüs. Jakobus en Johannes zaten in hun boot netten te repareren. 20Toen Jezus hen riep, gingen ze met hem mee. Ze lieten hun vader met zijn arbeiders in de boot achter.

Jezus jaagt een kwade geest weg

21Jezus en zijn leerlingen gingen naar Kafarnaüm. Toen het sabbat was, gingen ze naar de synagoge. Daar Gaf Jezus de Mensen uitleg over God. 22De woorden van Jezus maakten diepe indruk. De mensen dachten: Hij spreekt als iemand met macht! Hij spreekt heel anders dan de wetsleraren.

23Opeens begon er in de synagoge iemand te schreeuwen. Het was een man die een kwade geest in zich had. 24Hij schreeuwde: ‘Jij daar, Jezus uit Nazareth! Laat me met rust! Je bent zeker gekomen om mij te vernietigen? Ik weet precies wie je bent. Jij bent gestuurd door God.’

25Maar Jezus zei streng tegen de kwade geest: ‘Stil! Ga weg uit die man.’ 26De kwade geest schudde de man door elkaar, schreeuwde hard en verdween.

27Iedereen was stomverbaasd. De mensen zeiden tegen elkaar: ‘Wat is hier aan de hand? Jezus vertelt ons nieuwe dingen over God. Hij spreekt met macht. Zelfs de kwade geesten doen wat hij zegt.’

28En het nieuws over Jezus werd al snel bekend in heel Galilea.

Jezus maakt zieken beter

29Toen Jezus en zijn leerlingen uit de synagoge kwamen, gingen ze naar het huis van Simon en Andreas. 30-31Jezus hoorde dat de schoonmoeder van Simon met koorts in bed lag. Hij ging naar haar toe. Hij pakte haar hand vast en hielp haar opstaan. Toen had ze meteen geen koorts meer. Ze ging eten klaarmaken voor Jezus en zijn leerlingen.

32-34’s Avonds laat, toen het donker was, kwamen alle inwoners van de stad naar Jezus toe. Ze hadden alle zieken meegenomen. En ook alle iedereen die een kwade geest in zich had. Jezus maakte veel mensen beter die allerlei verschillende ziektes hadden. Ook jaagde hij de kwade geesten weg uit de mensen. En hij zei tegen die kwade geesten: ‘Je mag aan niemand vertellen wie ik ben.’

Jezus reist door Galilea

Jezus reist verder

35’s Ochtends vroeg, toen het nog donker was, stond Jezus op en ging naar buiten. Hij liep naar een stille plek buiten de stad. Daar wilde hij bidden. 36Maar Simon en de andere leerlingen kwamen achter hem aan.

37Toen ze Jezus gevonden hadden, zeiden ze: ‘Iedereen zoekt u.’ 38Maar Jezus zei: ‘We gaan weer verder. Ik moet het goede nieuws ook op andere plaatsen in de buurt vertellen. Daarom ben ik op weg gegaan.’

Jezus wordt overal bekend

39Jezus reisde rond door heel Galilea. In alle synagogen vertelde hij het goede nieuws. En overal jaagde hij kwade geesten weg uit de mensen. 40Er kwam ook een man met een huidziekte bij Jezus. Hij knielde voor Jezus en vroeg hem om hulp. De man zei: ‘Als u wilt, kunt u mij beter maken.’

41Jezus had medelijden met de man. Hij raakte hem aan en zei: ‘Ik wil dat je beter wordt.’ 42Meteen werd de man beter. Zijn huidziekte was weg.

43Voordat Jezus de man liet gaan, waarschuwde hij hem. Hij zei: 44‘Denk erom, je mag aan niemand vertellen wat er gebeurd is.’ Ook zei hij: ‘Ga naar de tempel. Daar moet de priester vaststellen dat je beter bent. En je moet het offer brengen dat verplicht is volgens de wet van Mozes. Dan kunnen de mensen zien dat je echt beter bent.’

45Maar toen die man wegging, vertelde hij aan iedereen steeds weer wat er gebeurd was. Daardoor kon Jezus niet langer overal komen. Hij bleef op eenzame plaatsen. Maar zelfs daar kwamen de mensen van alle kanten naar hem toe.

Geef een reactie