Het begin
1 1In het begin maakte God de hemel en de aarde.
2De aarde was leeg en verlaten. Overal was water en alles was donker. En er waaide een hevige wind over het water.
De eerste dag
3Toen zei God:”Er moet licht komen.” En er kwam licht. 4God zag hoe mooi het licht was. Hij scheidde het licht en het donker. 5Het licht noemde hij “dag” en het donker noemde hij “nacht”.
Toen werd het avond en het werd ochtend. Das was de eerste dag.
De tweede dag
6God zei: “Er moet in het midden van het water een koepel komen om het water te verdeelen.” 7En zo gebeurde het. God maakte de koepel. Zo verdeelde hij het water in tweeën: water boven de koepel en water onder de koepel. 8Die koepel noemde God hemel.
Toen werd het avond en het werd ochtend. Das was de tweede dag.
Grammatica
- zei: onregelmatige vorm van de onvoltooid verleden tijd van het werkwoord “zeggen” :
- ik zei,, je zei, hij zei
- we zeiden, jullie zeiden, ze zeiden.
- zag: onregelmatige vorm van de onvoltooid verleden tijd van het sterke werkwoord
- scheidde: regelmatige vorm van de voltooid verleden tijd van het zwake werkword scheiden.
- hemel: er is een verschil tussen lucht en hemel:
- lucht: De atmosfeer, wat je ziet als je omhoog kijkt (wolken, blauw, grijs).
- hemel: Religieus/spiritueel: het paradijs (waar God en engelen zijn).